Diagnose van GIST

Onderzoeken om tot de diagnose te komen

Om erachter te komen wat er aan de hand is, kunnen allerlei vormen van onderzoek worden uitgevoerd:
CT-scan (computertomogram): dit is het meest toegepaste beeldvormende onderzoek.
MRI-scan (magnetic resonance imaging): ook wel kernspintomografie genoemd.
PET-scan (positron emissie tomografie): waarbij celstofwisseling zichtbaar wordt gemaakt.
X-Thorax: röntgenfoto van de longen.
• Echo/sonografie: onderzoek met ultrageluidsgolven.
• Bloedonderzoek: onder andere voor het bepalen van de lever- en nierfunctie.
Endoscopie: kijkoperatie (via de mond of de anus) waarbij met een flexibele slang de organen in het spijsverteringskanaal (slokdarm, maag, darmen) worden bekeken; een kijkoperatie van de buikholte via een kleine insnijding (incisie) heet laproscopie; bij een endoscopie kunnen ten behoeve van een biopsie stukjes weefsel worden weggenomen voor verder onderzoek.

Onderzoek door de patholoog

Om tot de diagnose ‘GIST’ te komen, baseert de arts zich voornamelijk op twee criteria:
1. De plaats waar de tumor zich bevindt.
2. Het door histologisch onderzoek aangetoonde c-KIT (CD117) positieve gen (ervaren pathologen kunnen ook c-KIT negatieve GIST-tumoren opmerken).

Bij histologisch onderzoek bekijkt een patholoog stukjes weefsel. Dit kan afkomstig zijn van een biopt of van een operatief verwijderde tumor.

De meeste pathologen in Nederland en België zullen in staat zijn GIST vast te stellen, maar er is meer ervaring voor nodig om ook te kunnen voorspellen hoe die GIST zich zal gaan gedragen in de toekomst. Pathologen die meer ervaring hebben met GIST bepalen tevens de mitosesnelheid (aantal delende cellen) en verrichten een mutatieanalyse (een meer precieze bepaling van waar in het gen de mutatie zit).

Mitosesnelheid

Mitosesnelheid is de waarde voor de snelheid van celdeling en dus ook voor tumorgroei. De mitosesnelheid van de primaire tumor is een van de factoren (samen met grootte en plaats) die bepalend zijn voor hoe groot het risico op uitzaaiing is.

De mitosesnelheid zal door de patholoog worden vastgesteld als onderdeel van het histologisch onderzoek. Tot voor kort werd de mitosesnelheid uitgedrukt in het aantal celdelingen in een gebied van 50 high power fields (HPF). Tegenwoordig wordt het aantal celdelingen in een gebied van 5 vierkante millimeter gebruikt.

Mutatieanalyse

Om nauwkeuriger te kunnen beschrijven waar de mutatie/verandering zit, worden genen onderverdeeld in stukjes, exonen genaamd. Zo bestaat het KIT-gen uit 21 exonen.

Bij GIST vindt men meestal mutaties in het KIT-gen in de exonen 9, 11, 13 en 17 en in het PDGFRA-gen in de exonen 12, 14 en 18.
Tegenwoordig wordt het onderzoek naar de mutatiestatus in het weefselbiopt (de exonbepaling) in Nederland en België standaard uitgevoerd in de gespecialiseerde GIST-centra.

De exonbepaling is mede belangrijk omdat er een voorspellende werking van uitgaat wat betreft de effectiviteit van de GIST-medicijnen. Daar kan de behandeling op aan worden gepast. Zo wordt in het geval van een KIT-exon-9-mutatie gewoonlijk een dosis van 800mg imatinib voorgeschreven, terwijl voor andere exonen 400mg de gebruikelijke dagelijkse dosis is.